Jianbing guo zi

Voedsel en China. Collega Jeroen Bos schreef deze week treffend dat China bezig is met een opmars op de wereldwijde markten voor landbouwproducten. Ik denk aan zijn verhaal terwijl ik op straat in Peking een Jiangbing guo zi koop; een soort dunne pannenkoek die ze in de vele stalletjes op straat maken. Bekijk hier hoe smakelijk.

 

Maar terwijl ik kauw op het deeg denk ik aan mijn Chinese juf die me Mandarijn leerde in Peking. En tussen de regels door veel vertelde over haar geboorteland. ‘Koop jij Jianbing gou zi op straat?”, schreeuwde ze. ‘Nooit doen! De olie die ze daarvoor gebruiken is gewoon motorolie!’

Mijn mond voelt inderdaad wat vettig aan. Ondanks de waarschuwingen van mijn juf hier kan ik het niet laten om de jianbing guo zi te kopen. Ik neem de voedselveiligheid op de (goedkope) koop toe.

Maar China kan zich dat als land niet langer veroorloven. De uitdaging is groot: het land moet met 10% van het aantal hectares wereldwijde landbouwgrond 20% van de wereldbevolking voeden. Liefst op een veilige manier. En van de beschikbare landbouwgrond in China is ook nog eens 70% vervuild.

Volgens Dirk Jan Kennes (Rabobank) lijken de landbouwhervormingen die China moet doorvoeren op wat Nederland tijdens de wederopbouw heeft gedaan; met een klein landbouw­areaal de productie opvoeren om alle nieuwe mensen te voeden. En daarom ziet hij kansen voor Nederlandse bedrijven om kennis en middelen te leveren.

Ondernemer Eelco Wolthuizen van Metazet ziet die kansen ook. Hij woont al vijf jaar in China. Samen met andere kassenbouwers en systeembouwers richtte hij de FoodSafetyGroup op.

In China ziet deze groep kansen. Maar voordat je als westers bedrijf tot de Chinese markt wordt toegelaten, ben je jaren verder. ‘We moeten zeker drie jaar investeren voordat je het break-even-punt bereikt. Daar zijn we nog niet’, aldus Wolthuizen.

Vanuit zijn kantoor in het centrum van Peking regelt hij de positie van Metazet op de Chinese markt. Aan de muur pronkt een licentie van zijn bedrijf. ‘Zonder dit papier ben je in China nergens. Je moet geregistreerd kapitaal hebben, en dat staat vervolgens stil te staan bij de bank. Zonder zo’n investering mag je niets’. De meeste bedrijven komen volgens Wolthuizen naar China voor een paar orders. ‘Maar wil je profiteren van de groeimarkt in de voedselindustrie, dan moet je hier een vestiging hebben. En wonen. En de taal spreken en de cultuur begrijpen.’

IMG_1945

Bang dat de Chinese bedrijven zijn systemen en machines kopiëren is hij niet. ‘Dat doen ze namelijk toch wel. Ik zie op landbouwbeurzen heel vaak dat er machines uit Europa gekopieerd worden. Maar zo’n machine mag er dan van de buitenkant hetzelfde uitzien, hij werkt toch anders. Waarom denk je dat Chinezen allemaal in westerse auto’s rijden? Dat is hetzelfde principe.’

De voorsprong en kennis van Nederlandse bedrijven in landbouwproductie, is voor China een goudmijn. En voor Nederlandse ondernemers die vanuit China een ‘graantje willen meepikken’ is het een vechtmarkt en groeimarkt tegelijk.

Wolthuizen bouwt zelf ook systemen in de kassen. Zijn systeem heet Formflex. Dit zijn goten waarin bloemen en groenten verbouwd kunnen worden op vervuilde grond.

Ik neem nog maar een hap van mijn vervuilde Jianbing guo zi en zie bij het volgende eetkraampje op straat fruit liggen. Het ziet er schoon en gezond uit. Maar wat zou mijn juf daarvan zeggen?

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s